Limburgs

'Situatieschets betreffende het Limburgs' uit:

ADVIES INZAKE
DE ERKENNING
VAN HET LIMBURGS
ALS STREEKTAAL

Deze situatieschets is letterlijk overgenomen uit bovenstaande publicatie, geschreven door de 'Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal', onder leiding van prof.dr.J.Th.Leerssen

Inhoudsopgave:
1. Vooraf
2. Limburgs als diglottisch gebied
3. Specifieke kenmerken van het Limburgs
4. Limburgs als Middenrijnlands; historische positie
5. Maatschappelijke presentie en status
6. Culturele presentie en status

1. Vooraf

Deze situatieschets wil niet pretenderen, een uitputtend taalwetenschappelijk profiel te geven van het Limburgs; bronverwijzingen worden dan ook slechts incidenteel gegeven. Alleen die aspecten komen aan de orde, die relevant zijn in het kader van een mogelijke erkenningaanvraag voor het Limburgs als streektaal onder de termen van het Europees Handvest voor Streektalen of Talen van Minderheden.

2. Het Limburgs als diglottisch gebied

Het Limburgs wordt in de spreeksituatie niet als variant van het Nederlands ervaren (als 'Nederlands met een zachte g'), maar als alternatief, opzichzelfstaand communicatiesysteem. Sprekers maken in elke situatie een fundamentele keuze, of men het Nederlands bezigt dan wel het Limburgs. Zo zullen Limburgstaligen omschakelen op het Nederlands als zich een Limburgs-onkundige gespreksdeelnemer bij het gezelschap voegt; een winkelbediende zal al naar gelang de voorkeur van de klant het Limburgs of het AN bezigen. Er is dus sprake van een diglossiesituatie, waarbij het Limburgs in de praktijk een gelijkwaardige positie inneemt als mogelijke omgangstaal naast het Nederlands. De keus tussen streektaal of landstaal is in de praktijk niet een gradueel verschil tussen verschillende registers binnen hetzelfde systeem (bijv. Haags of Amsterdams tegenover Nederlands, 'plat praten' tegenover 'netjes praten'), maar is eerder vergelijkbaar met de diglossie van Friesland (Fries-Nederlands) of van de Belgische Oostkantons (Duits-Frans). In geval van twijfel geven de meeste Limburgstaligen de voorkeur aan het Limburgs boven het Nederlands.

3. Specifieke kenmerken van het Limburgs

Het Limburgs heeft tal van eigenaardige kenmerken, waarvoor in het Nederlandse taalgebied geen analogie bestaat. Zonder die aspecten te willen memoreren die het Limburgs gemeenschappelijk heeft met Zuidnederlandse dialecten ('zachte g', diminutief op -ke i.p.v. -tje) verdienen enkele meer saillante aspecten hier vermelding.

3.1 De klankleer van het Limburgs is fundamenteel anders dan die van het Nederlands. De Limburgse vocaalstructuren weerspiegelen nog de laat-Middeleeuwse situatie en hebben de Nederlandse klinkerverandering niet meegemaakt:
· sjrieve (schrijven)
· moes > muuske (muis > muisje)

Het Limburgs kent meerdere diftongen die in het Nederlands niet voorkomen.

3.1.1 Het Limburgs gebruikt umlaut bij verkleinwoorden:
· hoes > huuske
· baom > bäömke
· boum > buimke

Maar ook bij bepaalde meervouden:
· haos > häös
· moer > mör

En bij de 2e/3e-persoon van bep. sterke werkwoorden
· de deis, hae deit tegenover ich doon, en:
· de geufs, hae geuf tegenover ich gaef.

Dit verschijnsel verbindt het Limburgs met de Duitse taal en aanpalende Rijnlandse streektalen, en is onbekend in (varianten van) het Nederlands.

3.1.2 In zwakke werkwoorden past het Limburgs de kofschip-assimilatie niet toe:
Hae kwaekde t.o. Nederlands 'hij kwaakte'; 'ne gemisde kans t.o. 'een gemiste kans'.

3.1.3 Het Limburgs ligt grotendeels ten oosten van een belangrijke isoglossenbundel, waarvan de Ürdingerlijn (verschil tussen ich en ik en ouch en ook) de belangrijkste is; het Limburgs heeft voor een aantal medeklinkers de hoogduitse verschuiving van explosief (k) naar fricatief (ch) meegemaakt.

3.1.4 Het Limburgs is gekenmerkt door het gebruik van een toon-accent en door een semantisch functioneel onderscheid tussen sleep- en stoottoon. Bepaalde woorden hebben, al naar gelang zij op sleeptoon of stoottoon worden uitgesproken, een andere betekenis; vaak geeft het toonaccent een onderscheid tussen enkelvoud en meervoud aan (zowel bij naawoorden als bij werkwoordvormen). Wies met stoottoon betekent 'wijze'; met sleeptoon betekent het 'wijs, verstandig'. Veule met stoottoon betekent 'voelen', met sleeptoon betekent het 'veulen'; bal betekent met stoottoon 'dansfeest', met sleeptoon 'speelbal'. Dit verschijnsel is binnen de Westgermaanse taalgroep uniek voor het Limburgs en de aanpalende Middenrijnlandse streektaal. Het toonaccent is zó prominent dat het zich ook handhaaft als oorspronkelijk Limburgstaligen omschakelen op het Nederlands; het wordt dan door niet-Limburgstaligen waargenomen als de kenmerkende 'zangerigheid' waarmee de Limburger spreekt. Bovendien is de sleeptoon een langere klinkerrekking dan enige andere in het Nederlandse taalgebied, hetgeen bij de Limburger een klinkerrealisatie teweegbrengt (ook in de Limburgse variant van het Nederlands), die voor buitenstaanders als kenmerkend ('temerig') overkomt.

3.2 Enkele grammaticale en morfologische eigenaardigheden:

3.2.1 In het Limburgs is sprake van de vervoeging van onderschikkende woorden in afhankelijke zinnen (het voegwoord 'dat', betrekkelijke voornaamwoorden) al naar gelang het onderwerp van de bijzin:

· 't book waat-s dich gelaeze höbs 
· wèt-geer, wae-t geer vergaete zèet? 
· ich geluif det-s dich dat wèts

3.2.2 De persoonlijke voornaamwoorden wijken af van het Nederlandse patroon: ich, dich/doe, hae/zie, veer, geer/deer, zie; alsmede de objectvormen mich, ós, uch.

3.2.3 Het Limburgs kent voor het hulpwerkwoord höbbe een irrealis-conjunctief:

naast: Ich höb/hauw det book gelaeze - 'Ik heb/had dat boek gelezen' 
ook: ich heij det book gelaeze - 'Ik zou dat boek gelezen hebben' 

3.2.4 Het Limburgs heeft eigen gerundium-vormen, bijv. een Westgermaanse relictvorm op ~erre die de functie heeft van een tegenwoordig deelwoord:
· sjpeulenterre - 'al spelend' 
· sjrieventerre - 'al schrijvend'

3.2.5 Geslachtsonderscheid is behouden: eine voegel (mannelijk), ein peerd (vrouwelijk).

3.2.6 In het Limburgs wordt het belanghebbende voorwerp veel vaker dan in het Nederlands uitgedrukt:
· hae it zich 'nen appel 
· zie gaelt zich 'n book 

vaak ook als dativus graecus:
· is 'r mich krank gewore!

Dit kenmerk leidt vaak tot interferenties in het Nederlands zoals gesproken door Limburgers.

Meer over de grammatica vindt u hier

3.3 De woordenschat van het Limburgs sluit eerder bij het Rijnlands-Duitse taalgebied aan dan bij het Nederlandse taalgebied. De samenstellers van het Woordenboek van de Limburgse dialecten wijzen erop dat men voor zeer vele lemmata en exemen het Rheinisches Wörterbuch raadplegen moet, bij ontsteltenis van analoge wordtypen in het WNT of in Nederlandse dialectwoordenboeken. Het feit dat weinig in het Limburgs courante woorden aangetroffen worden in WNT en Van Dale is een opmerkelike omissie: bij het codificeren van de Nederlandse taalschat hebben de lexicografen het Limburgse streekeigen grotendeels buiten beschouwing gelaten, ondanks het feit dat andere (Zuid- en Oostnederlandse) streekeigen varianten wèl zijn opgenomen.
Het Limburgs bewaart wel vele woorden die in het Nederlands zijn uitgestorven of sterk verouderd. Ook de invloed van het Waals in de woordenschat is opmerkelijk.

3.4 Deze eigenschappen zijn allerminst incidenteel of bijkomstig; zij karakteriseren vrijwel elke taaluiting in het Limburgs en vormen de reden waarom het Limburgs voor andere (m.n. metropolitische) Nederlandstaligen als vrijwel onverstaanbaar wordt beschouwd, althans moeilijker verstaanbaar dan bijna elke andere Nederlandse streektaal. Recentelijk heeft de aan de Rijksuniversiteit Groningen werkzame linguïst C. Hoppenbrouwers getracht om deze talige afstand kwantitatief te indiceren met behulp van een zg. Feature Frequency Method: een index van de frequentie waarmee streektalige eigenaardigheden in taaluitingen opduiken. De met behulp van deze FFM gecalculeerde afstand van het Limburgs t.o.v. het Noord-Hollands was zelfs groter dan die van het Fries. Van de veertig onderzochte Nederlandse dialecten (inclusief Fries) waren de vier meest van het Nederlands afwijkende Limburgs: Venray, Maastricht, Tienen (op de grens tussen Belgisch-Limburg en Brabant) en Kerkrade.

4. Limburgs als Middenrijnlands; historische positie

4.1 Veel van de hierboven opgesomde eigenschappen van het Limburgs illustreren, naast het verschil tussen Limburgs en AN, tevens de overeenkomsten tussen Limburgs en de streektalen van het aanpalende Duitse gebied. A.Weijnen heeft een complex van 'Middenrijnlandse' dialecten beschreven waar het Limburgs op grond van vrijwel alle ad 3.1 - 3.3 opgesomde eigenschappen bij hoort. Ook historisch gezien maakt het Limburgs deel uit van een Rijnlands complex: het Middenrijnlandse territoir wordt doorsneden door een opmerkelijk dicht web van isoglossen en isoglossenbundels (de 'Rijnlandse waaier'), die grosso modo concentrisch rondom Keulen zijn gesitueerd. Deze isoglossen geven aldus de vloedlijnen aan van de Middeleeuwse 'Keulse expansie', een taalinvloed die zich vanuit Keulen voelbaar maakte. De buitenste cirkel van de Keulse expansie, de Ürdingerlijn, omvat het merendeel van de Limburgse dialecten (inclusief de Belgisch-Limburgse).

4.2 De Limburgse streektaal bevindt zich dus in een tussenpositie tussen het Duits en het Nederlands: dat blijkt uit Middeleeuwse archivalia (rekeningen en oorkonden van de Balije Alden Biezen, Maastricht, Sittard, enz), alsmede literaire teksten zoals het werk van Henric van Veldeke, de Aiolfragmenten, de Limburgse sermoenen en de diverse Limburgs/Ripuarische redacties van de laathoofse roman van 'Henric en Margarete van Limburg'. Was, met de kardinale figuur van Henric van Veldeke, het Limburgs de oudste toonaangevende variant van de Dietse taalgroep, na de opkomst van Brabant in de 13e eeuw is de positie van het Limburgs in de Nederlandse schrijfcultuur gaandeweg gemarginaliseerd.

5. Maatschappelijke presentatie en status van het Limburgs

Van de ca. 1.100.000 inwoners van de provincie Limburg spreekt, ruw geschat, gemiddeld ca. 75% Limburgs; dat percentage ligt iets lager in het Noordelijke gedeelte van de provincie en in de gemeente Heerlen, hoger in het Zuiden. Daarnaast omvat het areaal van het Limburgs ook de aanpalende buitenlandse gebieden. In vrijwel de gehele Belgische provincie Limburg (675.000 inw.) wordt eveneens Limburgs gesproken; het wordt door het merendeel van de bevolking aldaar actief en passief beheerst, echter in een beperkter scala aan gesprekssituaties gebezigd. Aan de oostelijke zijde vindt een vloeiende overgang plaats naar Rijnlandse dialecten (Epen-Hendrikkapele, Kerkrade-Aken, Sittard-Selfkant, Venlo-Nederrijn); echter, ook de situatie van de Rijnlandse streektaal is minder sterk dan die van het Limburgs binnen Nederland. Bijaldien heeft het gebruik van de streektaal wel degelijk een 'Euregionale' component voor wat betreft het interregionaal grensverkeer.

Veel streektalen zijn plattelandstalen, zijn vooral vertegenwoordigd in laagbetaalde en traditionele beroepen en genieten weinig sociaal prestige, ja, gelden zelfs als sociaal stigma. De situatie van het Limburgs is volstrekt anders (in analogie met, zo niet de huidige, dan toch de historische situatie in het Rijnland). Niet alleen het volk, maar ook de middenstand, de burgerij en het patriciaat van Venlo, Weert, Roermond, Sittard, Kerkrade en Maastricht spreken Limburgs. Limburgs is vaak de dagelijkse omgangstaal van gemeentelijke en provinciale bestuurders in de werksituatie en wordt ook courant gebruikt in het mondelinge verkeer tussen overheid en burger. Deze situatie is wenselijk voor zover zij de afstand tussen burger en overheid verkleint.

De regionale en lokale radiozenders, advertenties in de provinciale dagbladen en huis-aan-huisbladen maken vaak en vanzelfsprekend gebruik van het Limburgs. Huwelijks- en verjaardagsadvertenties in de provinciale pers zijn veelvuldig in het Limburgs gesteld.
Dat het Limburgs niet officieel voor de kerkelijke liturgie is erkend is het gevolg van terughoudend beleid dienaangaande van de kant van de R.K.-autoriteiten; Limburgstalige priesters gebruiken het in alle andere omstandigheden courant met hun parochianen. Wel vinden in de hele provincie missen en oecumenische diensten plaats in het Limburgs, vooral rond Kerstmis, Carnaval en op plaatselijke hoogtijdagen.

Het Limburgs wordt in ziekenhuizen, andere segmenten van de zorgsector, in het openbaar bestuur en de commerciële, bestuurlijke of culturele informatieverstrekking net zo algemeen gebruikt als in het huiselijk leven. Telefonisten en receptiemedewerkers in het bedrijfsleven, medewerkers van openbare bibliotheken, arbeidsbureaus enz. zullen het gebruik van het Limburgs, indien dit door de 'klant' wordt gesproken, niet schuwen. Ook wordt in informele situaties door het politieapparaat Limburgs gesproken me de burger.
In het Maastrichts bestaat sinds kort een leergang Maastrichts voor basisschoolleerlingen met ondersteunend materiaal: 'Rijstartele of veters' (verzorgd door Veldeke Maastricht, o.a. dhr. Ph.Dumoulin). Eerdere ervaringen op dit terrein zijn opgedaan in de jaren zeventig in het kader van het zogeheten 'Kerkrade-project', waarin de taalsituatie in Kerkrade speciaal ten behoeve van het onderwijs op de basisscholen is onderzocht.

Kortom, Limburgs is niet alleen de meest afwijkende, maar misschien ook de vitaalste streektaal van het Nederlands taalgebied. Dit neemt niet weg dat het Limburgs wel degelijk aan druk blootstaat; zulks is een structureel gegeven in diglottische gebieden waar een streektaal zich naast een officiële landstaal moet handhaven. Het Limburgs moet, ondanks zijn betrekkelijke vitaliteit in vergelijking tot andere streektalen, wel degelijk tegen erosie worden behoed: het aantal Limburgstaligen onder jongeren neemt enigszins af, en over het hele gebied is een dubbele nivellering waarneembaar - enerzijds van lokaal Limburgs naar een algemeen regiolect, anderzijds een convergentie naar het AN. De neiging onder Limburgstalige ouders om hun kinderen in het AN op te voeden is weliswaar sterk geslonken, maar niet verdwenen. In huwelijken waarvan één van beide partners Limburgs-onkundig is, vormt het AN de enige gezinstaal en wordt het Limburgs vaak niet aan de kinderen doorgegeven.

De zwakte van het Limburgs ten opzichte van het AN is niet op de laatste plaats een psychologische, en is te situeren op het raakvlak tussen Limburgstaligen en niet-Limburgers. Tot voor kort was een Limburgs accent buiten de eigen regio stigmatiserend en ontmoette het Limburgs accent reacties die varieerden van laatdunkendheid tot kleinerende goedmoedigheid. Nog steeds geldt een 'accentloos' bezigen van het AN als functioneringsvoorwaarde in tal van beroepen. Zolang het Limburgs slecht als afwijkende variant van een standaard Nederlands geldt, zal dit een prikkel vormen om hetzij in het eigen taalgebruik, hetzij in de opvoeding van kinderen, conformering aan het AN te betrachten door onderdrukking van Limburgstaligheid. Dit heeft enerzijds tot nivellering en verlies aan culturele diversiteit geleid, anderzijds ook tot provincialistische ('anti-Hollandse') ressentimenten en een zekere nostalgische halsstarrigheid. Zulke ressentimenten zouden door erkenning van het Limburgs als streektaal verminderd kunnen worden; de doelstelling van het handvest, ervoor te zorgen dat minderheden 'zich thuis voelen in de staat waarin zij om historische redenen terecht zijn gekomen' is stellig toepasbaar op de Limburgse situatie.

6. Culturele presentie en status van het Limburgs

De nadrukkelijke presentie van het Limburgs in vele sferen van het openbare leven bestrijkt ook het culturele vlak. De populaire muziek maakt al vele jaren gebruik van het Limburgs; niet alleen getuigt dit van een aanhoudend, flexibel en vitaal elan van het Limburgs onder Limburgers, de desbetreffende artiesten hebben al enkele decennia een landelijke uitstraling (J.Erens, Janse Bagge Bend, Beppie Kraft, Gé Reinders, Rowwen Hèze). Er is bovendien een traditie van Limburgstalig cabaret. Die traditie rijkt van de op Rijnlandse leest geschoeide, zeer populaire maar seizoensgebonden carnavalistische conférence ('buut': Pierre Cnoops, Jan Pollux) tot de toneelmonologen en liederen van Ger Bertholet en een levendige en wijdverbreide cabaretkleinkunst Ook in de film wordt gebruik gemaakt va het Limburgs, zo bijv. Partizanen (regie Theu Boermans).

Een traditie van Limburgstalig volkstoneel (meestal kluchten) is nog steeds present, bijvoorbeeld in de blijspelen van Stelsmann en de musicals van Paul Weelen, en heeft daarnaast ook ambitieuzer werk opgeleverd (Bertholet, Boermans, Veugelers). Toneelwerken van Shakespeare en Molière zijn in het Limburgs vertaald (Boermans sr., De Bruin, Theater Op de Kamp). Vermelding verdient voorts de nog steeds zeer populaire Limburgstalige opéra comique, die, naast het hedendaagse bedrijf, met name in het werk van Olterdissen (1865-1923) evergreens heeft opgeleverd met een aanhoudende populariteit (Trijn de Begijn, De Kaptein vaan Köpernick); tevens verdient Seipgens' Schilderhannes vermelding (Roermond, 1864).

Naast zulke, eerder op het gesproken (of gezongen) woord gerichte cultuuruitingen, die op geluidsdragers in de gehele provincie verkrijgbaar zijn, kent ook het geschreven Limburgs een rijk verleden een bloeiende praktijk. De Limburgse streektaal in haar diverse varianten gold als vanzelfsprekende schrijftaal in de laatmiddeleeuwse praktijk (vóór het gestandaardiseerde gebruik van Nederlands). Het Maastrichts kent aldus een geschreven traditie die tot in de veertiende eeuw terugreikt. Als literair medium zijn de stedelijke dialecten van het Limburgs (vooral het Maastrichts) vanaf het begin van de negentiende eeuw gebruikt; zo bijvoorbeeld Th. Weustenraad, De Persessie vaan Sjerrepenheuvel (ca. 1825; meest recente uitgeve: red. L. Spronck, Maastricht, 1994). Voornoemde Fons Olterdissen schreef ook proza (Prozawerken, Maastricht, 1926), en ook op het gebied van de geschiedschrijving is van het Limburgs gebruik gemaakt (Edm. Jaspar, Kint geer eur eige stad?, Maastricht, 1936; derde druk, 1968). Er bestaat een evangelievertaling, en een volledige bijbelvertaling is thans in voorbereiding. Vanaf de negentiende eeuw is het Limburgs in diverse delen van de provincie gebruikt voor gedichten en bijdragen in kranten en tijdschriften. Een aanzienlijk aantal dialectverhalen, -gedichten en -romans is sinds het begin van deze eeuw in druk verschenen; een toonaangevende bloemlezing werd in 1976 gepubliceerd onder de titel Mosalect.

Dergelijke initiatieven zijn sinds 1926 gebundeld door de toen opgerichte vereniging voor Limburgse volkscultuur, Veldeke, met een eigen tweemaandelijks tijdschrift (Veldeke) dat thans zijn 71e jaargang ingaat. Was zulke dialectliteratuur tot ca. de jaren 1950 tamelijk nostalgisch en conventioneel, sindsdien heeft zij een hogere vlucht genomen, met meer zin voor serieuze onderwerpen, vormexperimenten en kosmopolitische invloeden (Betholet, Criens, Erkens, Graus, Kuipers, Leerssen). Ook hier heeft de vereniging Veldeke een sturende rol gespeeld: een werkgroep 'Veldeke Literair' fungeert sinds enkele jaren; sinds enige tijd wordt er onder auspiciën van Veldeke jaarlijkse een literaire prijs verleend, de door beide Provincies Limburg gedoteerde 'Groet-Limburgse Veldeke Dialekpries'; en moderne teksten worden gepubliceerd in een sinds 1992 bestaande reeks 'Veldeke Literair', waarin tot op heden zes delen zijn verschenen.
Veldeke heeft ook de aanzet gegeven door een gestandaardiseerde orthografie van het Limburgs - een complexe opgave, gegeven de grote mate van variëteit tussen de diverse Limburgse dialecten. De Veldeke-spelling vindt steeds meer ingang en geldt als de officiële provinciale norm.

Van de Nederlandse streektalen is het Limburgs een van de meest intensief bestudeerde. De dialectwoordenschat is geïnventariseerd in een groot aantal deelstudies en lokale woordenboeken; bovendien loopt het zeer omvangrijke en ambitieuze project van een meerdelig Woordenboek van de Limburgse dialecten (drie delen in elk twaalf afleveringen), waarvan de redactie gehuisvest is aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, en waarvan tot nu toe 17 afleveringen zijn verschenen. De in 1975 opgerichte Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, die strikter wetenschappelijk is gericht dan de bredere culturele belangenvereniging Veldeke, telt ca. 150 leden en heeft inmiddels ca. 90 taalkundige brochures en bundels op het gebeid van Limburgs gepubliceerd. Veldeke en VLDN entameren thans een gezamenlijke reeks van publicaties, 'Veldeke Taalstudies'.





 
Google
 
Web Deze website