Veel van de eigenschappen van het Limburgs illustreren, naast het verschil tussen Limburgs en
het Nederlands, tevens overeenkomsten tussen Limburgs en de streektalen aan de Duitse
kant van de grens. Vooraanstaand dialectoloog A.Weijnen heeft een serie 'Middenrijnlandse'
streektalen beschreven waar het Limburgs op grond van vele taalkundige eigenschappen bij hoort.
Ook historisch gezien maakt het Limburgs deel uit van een Rijnlands complex: het Middenrijnlandse
gebied wordt doorsneden door een opmerkelijk dicht web van isoglossen
('taallijnen') en isoglossenbundels (de 'Rijnlandse waaier'), die globaal concentrisch rondom Keulen
liggen. Deze isoglossen geven de invloed aan van de Middeleeuwse 'Keulse expansie', een taalinvloed
die zich vanuit Keulen voelbaar maakte. De buitenste cirkel van de Keulse expansie, de Ürdingerlijn,
omvat het merendeel van de Limburgse dialecten (inclusief de Belgisch-Limburgse).
De Limburgse streektaal bevindt zich dus in een tussenpositie tussen het Duits en het Nederlands: dat
blijkt uit Middeleeuwse archivalia (rekeningen en oorkonden van de Balije Alden Biezen, Maastricht, Sittard, enz),
maar ook uit oude literaire teksten zoals het werk van Henric van Veldeke, de Aiolfragmenten, de Limburgse
sermoenen en de diverse Limburgs/Ripuarische redacties van de laathoofse roman van 'Henric en Margarete
van Limburg'. Was, met de kardinale figuur van Henric van Veldeke, het Limburgs de oudste toonaangevende
variant van de Dietse taalgroep, na de opkomst van Brabant in de 13e eeuw is de positie van het Limburgs in
de Nederlandse schrijfcultuur gaandeweg gemarginaliseerd; aan de totstandkoming van het standaardnederlands
heeft het niet meer bijgedragen