Adviesbrief inzake de erkenning van het Limburgs als regionale taal.
Antwerpen, 4 maart 1996
Bij de erkenning van het Limburgs als regionale taal moet rekening worden
gehouden met de structuur van deze streektaal, met het taalbewustzijn van de
sprekers van het Limburgs en met de communicatieve functie van het Limburgs.
1. De structuur van het Limburgs
Het Limburgs maakt deel uit van een dialectgroep die gekenmerkt is door
duidelijke overeenstemmingen met Ripuarische, d.w.z. Rijnlandse of
Middelfrankische dialecten met Keulen als centrum. Die overeenstemmingen
betreffen vooral het vocaalsysteem en de intonatie; hier zou men van een
Hoogduits of Rijnlands karakter kunnen spreken. Men kan deze dialecten als
overgangsgebied tussen het Nederfrankisch enerzijds en het Middelfrankisch
anderzijds bestempelen. Deze ook wel Zuid-Nederfrankisch genoemde dialectgroep
wijkt structureel gezien even sterk af van het Algemeen Nederlands (AN) of van
de Hollandse dialecten dan het Nedersaksisch in Groningen, Drenthe, Overijssel
en de Gelderse achterhoek. En het heeft, taalhistorisch gezien, een even geringe
bijdrage geleverd aan de evolutie van het AN als de Nedersaksische dialecten.
2. Het taalbewustzijn van de spreker
Sprekers van het Limburgs beseffen zeer duidelijk dat zij een 'niet Hollandse'
streektaal gebruiken die zeer sterk verschilt van het AN. Het Limburgs wordt
door zijn sprekers dikwijls als mooier, prettiger, beter en normaler ervaren dan
het AN. Misschien speelt bij het ontstaan van deze attitude het bewustzijn mee
van de sterke territoriale versnippering van het huidige Limburg in het
verleden, van het feit dat bepaalde onderdelen tot Duitse gebieden behoorden
(Gulik en Gelre) en van de vroegere functie van het Hoogduits als cultuurtaal,
vooral in het zuidoosten van de provincie. Dit Limburgse taalbewustzijn heeft
een grote rol gespeeld bij het ontstaan van een eigen regionale identiteit.
3. De communicatieve functie van het Limburgs
Het Limburgs wordt - in tegenstelling tot vele dialecten - gekenmerkt door (1)
een relatief frequent gebruik in alle, dus ook in de hogere sociale lagen van de
bevolking, (2) een relatief frequent gebruik in alle, dus ook in eerder formele
en publieke situaties. Het Limburgs is verder niet beperkt tot louter mondelinge
communicatie in persoonlijke interactie, maar heeft ook een vaste plaats
verworven in de media, en het heeft zijn neerslag gevonden in een eigen
streektaalliteratuur. Dit alles zijn kenmerken van een 'ausbaudialekt' (Kloss),
die in vergelijkbare mate te vinden zijn in b.v. de Nedersaksische dialecten van
Oost-Nederland en Noord-Duitsland.
De hierboven aangehaalde aspecten, nl. de afzonderlijke structurele positie
van het Limburgs, het belang van het Limburgs voor de uitbouw van een Limburgs
identiteitsgevoel, en de dominante rol van het Limburgs in alle soorten
communicatieve functies maken een bijzondere inspanning van de overheid voor het
behouden en de versteviging van de maatschappelijke positie van deze streektaal
wenselijk.
Prof. Dr. Ludger Kremer
Hoogleraar Toegepaste taalkunde: Duits
Universiteit Antwerpen (RUCA)