Nedersaksisch

Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 27-08-2001

De achtergrond van de taal
Door Bert Diphoorn

Naam: André Hottenhuis (Saasveld, 1936)
Woonplaats: Zenderen.
Lezing: Twentse taal (en streken). Hottenhuis is winnaar van de Twentse taalprijs en oud-leraar Nederlands. 

`Wat mij boeit is de achtergrond van taal. Waarom zegt iemand het op die manier en niet anders. Of waarom is iemand stil, terwijl hij door die stilte toch heel wat zegt. Je kent dat Twentse wel. Twentenaren zeggen ‘ja, ja’.

Twentenaren zeggen ‘ja, ja’. Maar dat betekent nog niet dat ze het met je eens zijn. Ze wachten rustig af wat je nog meer te zeggen hebt. Kijk, een Amsterdammer zegt recht voor zijn raap: ‘Je liegt dat je barst.’ Een Twentenaar doet dat niet. Die zegt: ’Wat je me daar nou vertelt, daar zou wel eens wat waar van kunnen wezen.’ Als ik het over dialect heb, dan gebruik heb ik het over de geschiedenis van de streek, de mensen die de geschiedenis hebben gemaakt, de taal die ze gebruiken. Als je op de geschiedenis in gaat, kom je vanzelf bij de mensen en hun taal terecht. Ik merk, dat dat aanspreekt.
De manier van spreken is belangrijk. Ik heb een pracht verhaal gehoord over de vroegere burgemeester van Tubbergen, Kolenbrander. Een man waar trouwens nodig een boek over geschreven moet worden. Kolenbrander werkte in zijn jonge jaren bij de Raad van Arbeid. Een collega van hem had gehoord van een boer, die een hele zeldzame oude familiebijbel bezat. En die wilde die collega graag lenen om er eens in te neuzen. Maar het was geen Twentenaar, en hij zag wel in dat hij die Bijbel zelf nooit los zou krijgen. Dus vroeg hij het Kolenbrander. Jij praat plat, zei hij, jij krijgt het eerder voor elkaar dan ik. Kolenbrander er heen. De boer niet thuis, dus komt hij bij de vrouw en maakt in zijn jeugdig enthousiasme de fout om meteen met de deur in huis vallen. Ik heb gehoord, dat jullie een heel oude bijbel hebben.
Dat moet je in Twente niet doen. Beter eerst even over het weer praten. Dus de vrouw zegt niet: die krijg-ie niet. Die antwoordt, typisch Twents: ‘Of we een oude bijbel hebben, daar weet ik anders nog niks van.’ En ze kijkt hem aan met een blik van ‘waar kom-ie eigenlijk vandaan’. Als ze verder praten vertelt Kolenbrander dat zijn moeder bij hotel Kolen werkte in Hengelo. Hengelo had vroeger een bloeiende veemarkt. Als de zaken gedaan waren werden ze in dat hotel met een borrel beklonken en als de vrouw naar de stad ging dronk ze daar koffie. Dus die vrouw kende Kolenbranders moeder. Dat was degene die koffie en borrels rondbracht.
Oh, ben je er daar één van? Toen was het in orde. Hij kon zo met die oude bijbel onder de snelbinders op zijn fietsje terug. Dat is nou een echt Twents verhaal. Als je dat aan Twentenaren vertelt, herkennen ze het. Het is niet to the point. Het heeft wat abstracts. Het was om de bijbel te doen, maar daar werd helemaal niet meer over gepraat.
Nog zoiets uit deze streek. Ze antwoorden graag met een tegenvraag. Ik heb cursussen Twents gegeven. Heel leuk. Daar kwamen mensen van buiten Twente, die iets meer over de taal wilden weten, maar daar kwamen ook mensen uit de streek. Daar had ik het met een echte Twentenaar over die tegenvraag.
En weet je wat die zei? ‘Oh ja, hebben ze dat?’ Dat soort dingen vind ik zeker zo belangrijk als de vraag of bepaalde woorden in de loop van de tijd verdwijnen. Want natuurlijk verdwijnen er dingen. Maar dat doen ze ook uit de koepeltaal, het standaard Nederlands. Dat is dus eigenlijk het dialect van Holland, want vergeet niet dat dialecten ouder zijn dan koepeltalen.
Maar talen verdwijnen niet. Ze veranderen. Wat je tegenwoordig bijna niet meer tegenkomt zijn die verschillen binnen een kleine afstand. Je had plaatsen waar ze aan de ene kant van het dorp de dingen net iets anders zeggen dan aan de andere kant. Dat kom je bijna niet meer tegen. Er is tegenwoordig eerder sprake van, wat we wel eens noemen: een regiolect. Het wordt globaler, maar in een veel groter gebied gesproken dan vroeger.
En dat mag weer. Het dialect wordt niet meer te vuur en te zwaard bestreden. In de jaren vijftig had je plaatsen, waar het ten strengste verbonden was om plat te praten. Een verpleegster in het ziekenhuis mocht het niet. Deed ze het wel, dan werd ze op het matje geroepen. Ze werd te gemeenzaam met de patiënten, kreeg ze te horen.
Op school was het ook uit den boze. Wie in de klas plat praatte kreeg op zijn minst wat te horen en werd soms uitgelachen. We hebben nu gelukkig het idee, dat we de kinderen tweetalig mogen opvoeden. En dat is alleen maar goed. Kinderen kunnen dat makkelijk aan. Leer ze dus goed plat, en leer ze de standaardtaal goed. Maar ga er niet tussen in zitten stoethaspelen. Daar is niemand mee gediend.
Als ik een lezing houdt schrijf ik wel eens een rijtje op met wie mensen plat praten en met wie niet. Plat praat je met je familie, met vrienden, met kennissen, op je werk, een hele rij. En dat zet ik op het einde van de rij situaties waarin dikwijls niet plat wordt gepraat. Het allerlaatste is dan: ouders tegen hun kinderen. En als je dat op schrijft, dan wordt het even heel erg stil in de zaal.’





 
Google
 
Web Deze website