Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 08-03-2001
‘Jipke en Jannöaken’ nu ook ‘kats in het plat’
ENSCHEDE - Cabaretier Ben Schreurs en Neerlandicus André Hottenhuis lazen gisteren in de openbare bibliotheek van Enschede voor uit ‘Jipke en Jannöaken’. Een verzamelbundel van Jip en Janneke-verhalen, maar dan ‘kats in ‘t plat’.
‘Jipke zit bie ‘ n hoarsnieder. Knip, knap, zeg de schaere. En Jipke zeg: Au! Ik doe oe gin zear, zeg ‘n hoarsnieder. Bin ie noe nen groten jongen? Ie bleart a veur da-j ehöwwen wordt’.
Dit verhaal uit ‘Jipke en Jannöaken’ over Jip’s vrees voor de kapper werd gistermiddag in de bieb voorgelezen door Ben Schreurs, bekend van het duo Hiddink/Schreurs. ‘Ik heb drie handicaps’, vertelt de cabaretier. ‘Ten eerste ben ik een beetje dyslectisch, ten tweede heb ik niet gerepeteerd en tenslotte kom ik oorspronkelijk uit de Achterhoek.’ Dat weerhoudt hem er niet van enkele hoofdstukken in onvervalst plat voor te lezen.
De bundel bevat 32 verhalen over de geesteskinderen van Annie M.G. Schmidt, vertaald in dertig Twentse en twee Duitse dialecten.
Alle Twentse dialecten verschillen enorm van elkaar. Vandaar ook dat een groot aantal dialecten van het Nedersaksisch taalgebied, zoals het Almelose, Deldense, Ootmarsumse, Hengelose en Schüttorfse dialect, in de bundel zijn opgenomen.
De voordracht was vooral bedoeld voor kinderen, omdat zij tegenwoordig steeds minder in dialect praten. Gistermiddag woonden slechts vijf kinderen de voordracht bij. Zij waren daartoe aangespoord door vaders, moeders, opa’s en oma’s.
De jonge toehoorders hadden weinig aandacht voor de dappere pogingen van Schreurs en Neerlandicus André Hottenhuis om het Twents zo boeiend mogelijk over te brengen.
‘Ik denk dat het voor de kinderen moeilijk te verstaan is’, vermoedt Atje Haverkamp uit Enschede. Met haar 3-jarige kleinzoon Tom was ze naar de bibliotheek gekomen om de ‘lezing’ bij te wonen. ‘Voor de volwassenen is het wel heel leuk.’ Dat klopt, want alle aanwezige volwassenen lazen met zichtbaar genoegen een zin voor uit de verhalenbundel.
Tijdens de voordracht keerde één onderwerp steeds terug: de grappen die ‘westerlingen’ maken over ‘dialectsprekende’ mensen.
Schreurs stipt dat thema ook nog even aan in een gedichtje over een kapster die in Diepenheim en Goor werkt. ‘Maar ook in ‘t westen, en daar begon ’t pesten’. Vervolgens verhaalt hij over de moeite die de vrouw daarmee heeft.
Maar op het eind gaan ze naar Herman Finkers en daar moeten haar collega’s ‘lachen en klap’n om zien grap’n’. Dan heeft de kapster haar collega’s te pakken, want ‘raad eens wat? Finkers komt uit mien stad. Almelooo....’