Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 12-01-2000
Gerard Seyger spoort oudste geschreven volkstaal op; De geboorte van het Twents
door Gerard Vaanholt
Het Twents is een veel oudere taal dan het Nederlands. Maar sinds wanneer bestaat het als schrijftaal? Om dat te traceren dook de Losserse onderzoeker Gerard Seyger de regionale archieven in, op zoek naar Middeleeuwse oorkonden die in de volkstaal van toen op perkament waren gezet. Het spoor voerde terug tot 1336.
Ruim driehonderd van de oudste akten transcribeerde hij en bundelde ze tot een publicatie. `De geboorte en bloei van het Twents.` Een overvloedige bron, voor taalvorsers én historici.
Toen hij na zijn loopbaan als leraar Duits op zoek wilde naar de wortels van het Twents als schrijftaal in de Middeleeuwen, was het even schrikken voor Gerard Seyger. Gedrukte bronnen waren nauwelijks te vinden. Wat rest een gedreven onderzoeker na zo`n ervaring anders dan te besluiten zelf maar op zoek te gaan? Jarenlang doorzocht hij archieven in binnen- en buitenland op oorkonden die in de volkstaal waren geschreven en Twente - een duidelijke politieke eenheid in die tijd - tot onderwerp hadden. Ruim driehonderd originele exemplaren selecteerde hij. Ze besloegen de periode 1336-1500 en waren afkomstig uit de steden Almelo, Enschede, Oldenzaal, Ootmarsum en van de ambtman en rentmeester van Twente.
Wie ze leest ziet niet alleen een taal op schrift ontstaan en zich ontwikkelen, maar voelt als het ware twee eeuwen Twents leven aan zich voorbij trekken. Want het was de opstellers natuurlijk niet alleen te doen om het opschrijven van fraaie volzinnen. Oorkonden hadden een juridische functie, waren bedoeld om afspraken vast te leggen. Dat gebeurde in het Latijn, maar vanaf het begin van de veertiende eeuw kwam steeds vaker het gebruik van de eigen taal voor. Nederlands was er toen nog niet, daarvan was pas sprake in de zestiende eeuw. De hier gebruikte variant was de taal van het volk, de taal die het best te omschrijven is als `Duetsch`.
Seyger beseft dat die officiële schrijftaal anders was dan de manier waarop de inwoners van deze streek met elkaar spraken. Desondanks heeft hij in de oorkonden diverse `weerspiegelingen van de spreektaal` aangetroffen. Net als woorden die we nu nog in het dialect kennen en die vaak aangeduid worden als typisch oostelijke begrippen.
Leuk voorbeeld is de `wegge`, het begrip dat nog voortleeft in de bij het `kroamschudden` behorende krentenwegge. In een Ootmarsumse oorkonde uit 1495 staat iets over een `placken wegge als men toe Oetmersen veele backet`. Seyger preciseert de vondst aan de hand van een taalstudie van Herman Scholten uit Haaksbergen, die in 1765 hoogleraar werd aan de Universiteit van Leiden en aan `weggen` de betekenis tarwebrood geeft. Hij heeft ook nog `weggene-melk` in de aanbieding en dat is dan weer `gekookte zoete melk daar witte brood in gebrokt is`.
Ander aspect uit de regionale woordenschat is `slop`. Alweer in een oorkonde uit Ootmarsum (uit 1494) staat iets over `een schepel rogge onder den slop`. Ook nu nog wordt in het Twents het zolderluik bij een boerderij soms aangeduid als slop. `Slaghe` is er nog zo een, niet zoals elders in de betekenis van een `karrenspoor`, maar voor een veel gebruikte rijweg met een open spoor. De bewoners van Twente noemden een wagenspoor `spaar` of `wagenspaar`. `Slaghe` of `slaag` was gereserveerd voor de hoofdweg die het meest gebruikt werd. Een in 1456 gedateerde oorkonde uit Almelo spreekt over de `slaghe hen to beghynenhues`. Ook zijn er woorden te vinden die nu onbekend zijn. `Leistingh` bijvoorbeeld voor `in gijzeling liggen` of `hulder` voor een leenman.
Gerard Seyger heeft in het woordgebruik in de oorkonden wel verschillen per plaats aangetroffen. `Maar niet zo significant dat je zou kunnen spreken van dat is typisch Almeloos of typisch Enschedees`, zegt hij. Wel zijn duidelijke veranderingen van de taal waarneembaar in de loop der tijd die het onderzoek besloeg, bijna twee eeuwen.
De oudste oorkonde stamt uit 1336 en komt uit Oldenzaal. Daarin is vastgelegd dat de familie Van Sconenvelde het huis Wolbertinc te Lemeslo voor 81 Brabantse penningen heeft verkocht. Uit Overijssel is het niet de oudste in de volkstaal. Dat is er een van 1300 uit Deventer. Maar die voldeed niet aan de criteria die Seyger voor zijn onderzoek aanlegde. Ze moesten origineel zijn, in Twente geschreven zijn en op Twente betrekking hebben, de schrijvers en de geadresseerden moesten in het gebied wonen en ze moesten exact gedateerd en gelocaliseerd kunnen worden. Desondanks vermoedt Seyger dat het aanbod in het boek van oorkonden uit de veertiende eeuw vrijwel volledig is. Veel meer is er niet bewaard gebleven. Voor de vijftiende eeuw heeft hij een keuze moeten maken. De collectie stopt in 1500 omdat dat jaar geldt als einde van de Middeleeuwen en omdat de Hollandse taal zich toen begon te manifesteren.
De rechtspositie in de Middeleeuwen was anders dan die van tegenwoordig. Burgers en instanties dienden er zelf voor te zorgen hun recht te krijgen, vandaar dat er zoveel schriftelijk werd vastgelegd. Het merendeel van de oorkonden handelt dan ook over de verkoop van huizen of goederen, over schenkingen, de betaling van pacht of over afspraken dat iemand afziet van het recht op wraak op een stad, de zogeheten oervedebrieven. Voorbeelden van rechtspraak zijn in de oorkonden eveneens terug te vinden. Zoals over een heftige twist tussen het Duitse Huis bij Ootmarsum en het bestuur van die stad, waarbij ambtman en rentmeester van Twente uiteindelijk moesten ingrijpen in opdracht van de de landsheer, de bisschop.
Opmerkelijk zijn veelvuldig gebruikte bijnamen waarmee verschillende personen zijn aangeduid. Zo gaat de Enschedese richter Gert van den Breden kennelijk door het leven als de Snelle, en krijgen anderen stempels mee als de Prediker, de Grote, de Oude, de Blancke en zelfs de Boze. `Veel ervan zijn later gewone achternamen geworden, dus ze werden kennelijk niet als scheldnamen ervaren`, zegt Seyger.
Het enerverendst zijn de oorkonden die de kleinmenselijkheid tot onderwerp hebben, die een kijkje gunnen in het volle Twentse leven van de late Middeleeuwen. `Er zit soms een hele wereld van lief en leed achter de oorkonden`, beaamt Gerard Seyger. Markantste voorbeeld daarvan is wellicht de terechtwijzing van de priester die er - met Kerstmis nota bene - met de collectebus van de kapel van Tubbergen vandoor ging.
Het 531 pagina`s omvattend document is zo behalve belangwekkend voor taalonderzoekers, ook een schatkistje geworden voor mensen die zich in de historie van Twente in de late Middeleeuwen willen verdiepen. Het `corpus van 14e en 15e eeuwse oorkonden in de volkstaal`, zoals de ondertitel van het bronnenboek luidt, biedt bovendien een vracht aan voor genealogen interessante persoons- en boerderijnamen.
`De geboorte en bloei van het Twents`. Door G.A. Seyger. Uitgegeven door Drukkerij Verhaag BV in Oldenzaal. Prijs ƒ67,50, ISBN 90-800211-7-2.