Nedersaksisch

Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 22-12-2000

Suske en Wiske gaan plat
Door Hennie Talens

Wiske ‘Smeerdeers’ horen zeggen en Lambik ‘Kiek oet da-j nich pleert’... De eerste Suske en Wiske in het Twents staat bol van dit soort karakteristieke streekuitdrukkingen. ’t Zulveren Heurnke, zoals het album is getiteld, is een dialectfeest in stripvorm. 

Het dialect is in opmars. Ook jongeren hebben er belangstelling voor. De ene na de andere popgroep die in een streektaal zingt maakt z’n opwachting. En er wordt meer dan ooit in dialect gepubliceerd, gelezen en gekocht. Er is in de steeds complexer wordende wereld kennelijk een hang naar het eigene, het vertrouwde. En wat is dichter bij dan een eigen taal die mensen om je heen ook spreken? 

De verschijning van de Twentse versie van het Suske en Wiske-album nummer 137 past perfect in deze ontwikkeling. In het Nederlands is de titel van dit in 1972 voor het eerst verschenen boek De Ringelingschat. ‘Oaverzetter’ Gerard Vaanholt, redacteur streekcultuur van De Twentsche Courant Tubantia, maakte er ’t Zulveren Heurnke van. In het album is voor dit hoorntje een hoofdrol weggelegd. En is het niet de zilveren hoorn waar de midwinterhoornblazers in Twente elk jaar om blazen? 

Ook anderszins past het verhaal aardig bij Twente. Het is gebaseerd op de oude sage rond het Nibelungenlied en deze streek presenteert zich graag als het land van de sagen en de volksverhalen. Bovendien speelt het stripverhaal zich bijna onder de rook van Twente af, in de plaats Xanten, ‘in de Pruus net veurbiej ’n Achterhook’. 

Voor Gerard Vaanholt was dat aanleiding genoeg om juist dit album voor de eerste Twentse versie van Suske en Wiske uit te kiezen. Hij heeft er drie maanden lang, avond aan avond aan gewerkt. ‘Nee, dat was geen opgave, ik heb het met veel plezier gedaan,’ zegt hij. 

Gerard Vaanholt is Tukker in hart en nieren. Hij kreeg alle kenmerken van de Twentse volksaard in zijn geboorteplaats Lonneker met de paplepel ingegoten. Zijn liefde voor de streek zou nooit meer overgaan. In zijn studietijd in Nijmegen maakte hij deel uit van de studieclub Doot heanig an. Twentse studenten verenigden zich in deze club met de bedoeling het daadwerkelijk kalm aan te doen, behalve met bier drinken, Grolsch vanzelfsprekend. 

Uit deze groep ontstond een kleiner clubje waarmee Vaanholt Twentse hoorspelen schreef, waaronder ‘Het Monster van ‘t Smulders’. Een soort monster van Loch Ness, maar dan in de kleigaten van Smulders nabij de Lonnekerberg. De hoorspelen werden nooit uitgezonden, maar zijn wel op band bewaard gebleven. 

Toen hij redacteur werd bij De Twentsche Courant kon het haast niet uitblijven dat hij zich zou ontwikkelen tot streekspecialist. Na de fusie met Dagblad Tubantia werd Vaanholt redacteur van de bijlage Stad en Land. 

In die hoedanigheid houdt hij zich dagelijks bezig met streekcultuur en de Twentse taal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat voor de vertaling van het Nederlandse album een beroep op deze regiospecialist is gedaan. Vaanholt heeft er bewust niet meer van gemaakt dan er in zat. ‘Ik heb alleen Twentse woorden gebruikt, die ik zelf ken. De verleiding is groot om het mooier te maken dan het is en naar onbekende Twentse vertalingen te zoeken, maar dat leek mij een verkeerd uitgangspunt. Het moest Twents worden zoals het nog dagelijks wordt gesproken.’ 

In ’t Zulveren Heurnke heeft Vaanholt geprobeerd zoveel mogelijk typisch Twentse uitdrukkingen te stoppen om het Tukkerse karakter te versterken. ‘Wat meant ’n dokter dat ’t is, Op ’n biester, Oet de blote kop, ’n löagke op ’n balg kriegen of ’n spier op de but, nen miezen kearl’ en meer van dit Tukkerse proza. Ook laat Vaanholt tante Sidonia een paar strofen uit het Twents volkslied zingen, wordt het nevelland witte-wievenland en trekt een ruiterbende ten strijde met: ‘’t Gef allemoal niks want wiej hoaldt van mekaar...’ 

Veel meer vertwentsing was ook niet mogelijk. Want rechtenhouder Standaard Uitgeverij in Antwerpen wilde de verhaallijn van het boek absoluut overeind houden. Ook moesten de hoofdpersonen hun eigen naam behouden. Lambik mocht geen Hennik worden en Sidonia geen tante Dina. De bijfiguren waren wel min of meer vrij. Daardoor werd dwergenkoning Fakmier Miegeamp, koning Hagen Kart-Offel in Vaanholt’s versie Pott-Tuffel en het flink uit de kluiten gewassen paard Bobard werd Pospeerd. 

Het was een hele opgave om het verhaal zodanig te vertalen dat het origineel geen schade oploopt, dat het Twents tot z’n recht komt en dat de oorspronkelijke versie zelfs nog is verrijkt door waar mogelijk typisch Tukkerse situaties in te voeren. En bijna alles klopt. Vaanholt valt op slechts één schoonheidsfoutje te betrappen. Na hun avontuur worden Suske en Wiske door Vadertje Tijd in diens agenda teruggelegd op het jaar 2000.
Tenminste volgens de tekst. Het plaatje vermeldt echter 1972, het jaar waarin het verhaal voor het eerst verscheen.
‘Aan de tekeningen kon ik niks veranderen’, verklaart Gerard Vaanholt. ‘Ik kon alleen vrij beschikken over de tekstballons. Dat was trouwens nog een hele toer om de tekst daarin te passen. Soms was het Twents wat korter en soms wat langer. In een enkel geval is het letterertype verkleind om de zaak passend te maken. Dat was eigenlijk ook de grootste uitdaging van deze klus. Nooit eerder heb ik iets zo precies pas moeten maken.’ 

Vaanholt keek wel op van de hoeveelheid tekst. ‘Toen ik klaar was had ik 50 A-4-tjes vol. Dat zou je toch niet denken.’ De juiste schrijfwijze hanteren en consequent vasthouden was overigens ook een flinke klus. ‘Ik heb gekozen voor de lijnen die de Kreenk vuur de Twentse Sproak heeft uitgezet. Die schrijfwijze wordt breed gehanteerd en is goed leesbaar.’ 

Eerder waren er al dialectuitgaven van een Suske en Wiskeverhaal in het Limburgs, Drents en Gronings. Drie jaar geleden verscheen een Twentse Asterix. Jaarlijks komen er vier nieuwe Nederlandse Suske en Wiske boeken op de markt, in een oplage van 300.000 exemplaren per titel. 

’t Zulveren Heurnke wordt gepromoot door De Twentsche Courant Tubantia, uitgegeven door Standaard Uitgeverij en verspreid door NV Uitgeverij Smit van 1876 uit Hengelo. De albums kosten f. 9,95 en zijn te koop bij boekhandels, tijdschriftenwinkels en de kantoren van De Twentsche Courant Tubantia.





 
Google
 
Web Deze website