Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 30-01-2001
Gerrit Kraa: ‘Leer kinderen plat praten’
DIEPENHEIM - Hij noemt zichzelf ‘reiziger in ‘t plat’. Dat klinkt een stuk prettiger dan ‘streektaalconsulent’.
Streektaalconsulent is de functie die hij vervult bij het Van Deinse Instituut. Gisteravond was hij te gast in de Dominee Molenaarshof, naast de kerk van de Hervormde Gemeente in Diepenheim. Religie was het onderwerp waarover Gerrit Kraa het zou hebben.
Maar een dialect sprekende Fons Jansen kon je hem toch niet noemen. Daarvoor zocht Kraa zijn onderwerpen te veel buiten de kerk. De Twentse volksaard, dat is wat hem werkelijk interesseert. En natuurlijk het behoud van dialect.
Leer je kinderen plat praten, is het advies van Kraa. Anders leren ze van hun ouders - die zelf ook geen perfect Nederlands spreken - een mengelmoesje van ABN en dialect. Daarbij: kinderen zijn heel goed in staat om het Nederlands dat ze op school leren en het dialect dat ze thuis praten, te onderscheiden. Ze leren dan twee talen goed. Kraa komt oorspronkelijk uit Rijssen. De plaats van de ‘fienen’. ‘Maar het is de vraag of dat altijd zo fijn is.’ Hij had een mooie anekdotes over zijn geboorteplaats en ook een enkele sneer.
Zo vertelde hij het verhaal van de dominee bij wie werd aangebeld. De dochter des huizes deed open. ‘Kom erin, mijn vader moet even de televisie in de schuur zetten.’ Wat nou die Twentse volksaard is? Kraa had er veel over te vertellen. Bijvoorbeeld over de ‘complimenten’ die Tukkers geven. ‘Als iemand een schilderij laat zien en een Tukker zegt ‘Ik zal niet zeggen dat het lelijk is’, dan is dat al behoorlijk positief. Maar nog beter is: ‘Ik zal niet zeggen dat het niet mooi is.’ ‘t Kon slechter, dat is in die zin misschien wel een mooi compliment voor Kraa zelf. Zijn voordracht was geen saaie lezing, maar eerder een cabaretvoorstelling. Wat er zo mooi is aan het dialect, zei hij, is de ‘dertig procent besparing’ ten opzichte van het Algemeen Beschaafd Nederland. Niet: ‘Hij heeft het aan het hart gehad, maar heftantattat’.
Om vervolgens het gedicht met die titel voor te lezen. Ook over katholieken had hij een mooi verhaal. Omstandig schetste hij het verhaal van jonge Rijssenaren die katholieken hoorden bidden. Dat gebed eindigde steeds met een onverstaanbare zin. Wat er toch werd gezegd? Het bleek: ‘Gedenk de leu in de la’ te zijn. En dat sloeg op de bidprentjes die in de betreffende la lagen. Hoefde niet al die namen opgenoemd te worden. Typisch Tukkers...