Nedersaksisch

Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 14-03-2001

André Hottenhuis, eerste winnaar TwentseTaal-prijs
‘Twents is zo’n mooie binnendoor-taal’ 

Door Gerard Vaanholt

De jury was eenstemmig. Als iemand de eerste Twentse Taalprijs zou verdienen was het André Hottenhuis. De in Saasveld geboren Zendernaar, wiens leven doordrenkt is van het dialect. Die het zo mooi kan zeggen en schrijven. En die het vermogen bezit de streektaal wetenschappelijk onderbouwd bij een breed publiek populair te maken. ‘Het mooie van het Twents is dat je zoveel kunt zeggen door woorden weg te laten.’ 

A-j verstaand hebt van etten, krieg iej dat ok wa vort.’ Met die woorden begeleidt André Hottenhuis de imposante koek die zijn vrouw Han gebakken en zojuist geserveerd heeft. Het is een typerende opmerking voor hem. Er zijn maar weinig gelegenheden en gebeurtenissen waarbij hij niet een relativerende Twentse tekst uit zijn schijnbaar onuitputtelijke voorraad tevoorschijn haalt. 

Voor iedereen die wel eens een lezing van hem heeft bijgewoond, moet het zeer herkenbaar zijn. De mengeling van boeiende wetenswaardigheden en kwinkslagen, de leerzame causerie die hij afwisselt met een kleine quiz, waarvoor hij dan termen als ‘hersenschoeren’ of ‘hersenjökkeriej’ bedacht heeft. Het schoolmeestersbloed verloochent zich niet. 

Hij begint voor te dragen:

`Doar woonden es in ’n heel wied laand
Nen man met biester völ verstaand
Den man, Columbus was zienen naam
Was in scheepvoart heel bekwoam
Mer het ambacht dat hee umsgelieks dee
was laand ontdekken op de zee’ 


Het is niet zo maar een stukje. En hij kent het niet voor niets nog helemaal uit zijn hoofd, al schreef hij het al in 1950, op het gymnasium, ergens aan de rand van De Peel. Deze vrije Twentse vertaling van een Gronings versje, op verzoek gemaakt bij een jubileum markeert in feite het begin van Hottenhuis’ carrière als dialectschrijver en -voordrachtskunstenaar. 

Natuurlijk, het dialect was de voertaal thuis in Saasveld en André was van jongs af geïnteresseerd in de modersproake. Vroeg zijn vader naar de Twentse woorden voor allerhande voorwerpen en schreef ze - als het kon met een verhelderende tekening erbij - in een schriftje. Het schriftje heeft hij nog. Met een tekening van een zicht (zeis) en de benamingen voor de verschillende onderdelen op de eerste bladzijde. 

Maar daar, op dat verre seminarie in de buurt van Helmond, ontwaakte ook de wetenschappelijke interesse voor de streektaal. ‘Ik hoorde er allerhande dialecten om me heen en die verschillen in taal intrigeerden me. Ik vond dat boeiend en wilde er meer van weten. Zo is het begonnen.’ Hij ging er meteen enthousiast mee voort. Zat als jongeling in de jaren vijftig al op de publieke tribune bij de openbare bijeenkomsten van de toenmalige Twentse Schrieverskring in de Cosa in Hengelo, waar coryfeeën als Vloedbeld, Gigen- gack, Buursink, Plegt, Rakers, Jans en Entjes hun licht over de Twentse taal lieten schijnen. 

Het voordragen van die Twentse versie van het Columbus-versie was zijn eigen eerste openbare uiting, hoewel de sfeer op de Brabantse school niet meteen pro-dialect was. ‘Ik herinner me’, zegt Hottenhuis, ‘dat we met een heel stel dialectsprekers naar een logopedist gestuurd werden die al die platte klanken er bij ons uit moest bannen. Alleen de Brabanders hoefden er niet naar toe. Hun tongval werd kennelijk als de normale Nederlandse taal beschouwd... Nu, na al die jaren weet ik dat ik nog nooit hét Nederlands heb horen spreken. Als ik naar iemand luister denk ik: uit welke landsdelen heb jij jouw Nederlands bijeengesprokkeld?’ 

Na het gymnasium volgde niet het priesterambt, maar de Pedagogische Academie, de opleidingen MO-a en MO-b Nederlands en dus een carrière in het onderwijs. Eerst aan de lagere scholen van Deurningen en Hengelo, later aan de HTS in Hengelo waar hij ook nog twintig jaar adjunct-directeur was. In de klas kreeg en nam hij de kans om bij de jeugd de aandacht voor het dialect te wekken dan wel levend te houden. 

Met de vut - in 1995 - kwam niet het gat. Integendeel, hij omarmde de taal nog inniger en legde er een wetenschappelijke basis onder door aan de Universiteit van Groningen zijn doctoraalexamen Nederlands te halen. Vanzelfsprekend met een afstudeerscriptie over een Twents onderwerp, een beschrijving van de veranderingen in het dialect van Saasveld. Om te kunnen vergelijken interviewde hij de twintig-jarigen en de zeventig-plussers uit zijn geboortedorp. En deed er als vermakelijk extraatje een verzameling Twentismen bij, naar het algemeen Nederlands meegenomen Twentse taaleigenaardigheden, waarmee hij bij later lezingen steevast goed scoorde: 

‘Straks wel, maar ik kan nu niet wachten’, ‘Je moet aanmaken anders kom je te laat’, ‘Hij woont ja kort bij school’, ‘Ik heb de vrouw ziek’, dat soort constructies. 

Hij heeft zelfs lang met het idee gelopen om te promoveren. Op een proefschrift over de Twentse revues. Maar hij zag ervan af toen hem duidelijk werd welke inspanningen daarvoor nodig waren en hoeveel tijd het zou vergen. ‘Ik ken teveel mensen die jaren van hun leven aan een onderzoek hebben opgeofferd, in de verwachting dat de wereld in aanbidding voor hen zou neerknielen, om er vervolgens achter te komen dat de wereld er helemaal niet op zat te wachten. Want het blijft natuurlijk werk voor specialisten.’ 

Hottenhuis verkeert in plaats daarvan liever veel onder het volk, om zich de bijzonderheden van de Twentse taal uit de eerste hand eigen te maken. Hij heeft zo de ups en downs van de streektaal van nabij ervaren. De positieve benadering in de naoorlogse jaren, de neergang in de jaren zeventig toen dialect absoluut ‘not done’ was en de opwekkende hernieuwde belangstelling in de huidige tijd. ‘Nee, het dialect loopt absoluut niet op z’n eind, zoals sommigen beweren. Steeds meer mensen beginnen te beseffen dat ze met hun eigen taal iets van waarde hebben. En dat zijn ze nu weer aan het oppoetsen. De schaamte om dialect te gebruiken is weg. En eigenlijk is het ook doodgewoon. Voor de textielbaronnen van vroeger bijvoorbeeld was het dialect de normale voertaal, onderling en naar het personeel toe. Ze spraken alleen maar Twents en Engels. De geschiedenis heeft ook geleerd dat het gebruik van dialect altijd zal blijven. Het is niet uit te roeien.’ 

Hij ontkent niet dat het dialect wel verandert. Maar dat noemt hij een positieve eigenschap, een teken dat de taal niet dood is maar leeft. ‘Ik heb een hekel aan mensen die vasthouden aan het principe: zo zei mijn vader het, dus zo is het. Dat neemt niet weg dat we oude woorden die goed bruikbaar zijn, moeten proberen te bewaren. Een woord als ‘rechtervoort’ voor het Nederlandse ‘tegenwoordig’ is zo’n begrip. Maar een woord als ‘höltink’ voor ‘vergadering’ weer niet. Dat zegt niemand iets. Onze huidige vergaderingen hebben niets met hout van doen, zoals dat bij de vroegere markevergaderingen wel het geval was.’ 

Het mooie van de Twentse taal zit voor André Hottenhuis in kleine, maar karakteristieke dingen. De klankrijkdom bijvoorbeeld, maar ook het kiezen voor weinig woorden. ‘Het is een taal waarin je door het weglaten van woorden veel kunt zeggen. Het is ook zo’n mooie binnendoor-taal, waarin je gemakkelijk contact kunt leggen met de autochtone bevolking. Daar heb ik al veel profijt van gehad. En verder is er natuurlijk de emotionele betrokkenheid bij je moedertaal.’ 

Al die voordelen probeert André Hottenhuis over te brengen op anderen en voor de wijze waarop hij dat nu al tientallen jaren doet is hem de eerste Twentse Taal-prijs toegekend. Cursussen, lezingen en publicaties zijn zijn middelen, humor en enthousiasme zijn handelsmerk. En voor het echt grote publiek heeft hij al vijftien jaar zijn rubriek ‘Wat nog niet Dijkhuis staat’ in deze krant. Ruimschoots vijfhonderd afleveringen en een veelvoud aan behandelde woorden. Ze zullen dit jaar in een boek verschijnen. Zijn magnum opus. Krijgt ‘meester’ Dijkhuis zijn opvolger in ‘meester’ Hottenhuis. 





 
Google
 
Web Deze website